Op vakantie naar China (deel 2): Xi'an

Wat een aangename service van de Chinese spoorwegen: je wordt in de nachttrein van Beijing naar Xi'an wakker gemaakt door een vriendelijke conductrice die koffie en thee komt brengen. En zo'n wake-up call is niet geheel overbodig; na het vertrek vanaf het gigantische station Beijing-Xi (west) ontstond er al snel een gezellig feestje in een aantal coupé's. Laten we het erop houden dat de cateringman goede zaken heeft gedaan in wagon nummer vijf, want de meegenomen biertjes waren lang niet toereikend. Het is dus een ietwat duffe aangelegenheid wanneer we om exact acht uur 's morgens het station van Xi'an uitwandelen voor de korte rit naar het hotel, waar het ontbijt al voor ons klaarstaat waarna we direct van start gaan met een behoorlijk dagprogramma.

De negen miljoen inwoners tellende stad Xi’an heeft een lange en zeer rijke historie, iets wat al blijkt uit de pal naast het station liggende en nog geheel intact zijnde stadsmuur die een rechthoekig gebied van zestien vierkante kilometer omsluit: de oude binnenstad. Die muur is ruim zeshonderd jaar oud en stamt uit de vroege Ming-dynastie, maar volgens de mythen lag hier al tijdens de oorsprong van de Chinese beschaving – achtduizend jaar geleden – een welvarende stad. Bovendien ligt de stad aan de Zijderoute, wat er onder andere voor heeft gezorgd dat Xi'an een grote moslimgemeenschap huisvest.

Die vind je in – hoe kan het ook anders – de Moslimwijk, een gezellig conglomeraat van verkeersvrije winkelstraten (waarin je wel moet zorgen niet overreden te worden door de vele elektrische en dus onhoorbare brommers en fietsen) en een heuse bazaar, die inderdaad doet denken aan wat je in de landen van het Midden-Oosten vindt. Je kunt er van alles kopen en alles is nep, maar dat mag de pret niet drukken. In de wat bredere straten hoef je van de honger niet om te komen want je kunt er de meest uiteenlopende eetwaren kopen en ter plekke nuttigen, van de beroemde Xi'an-dumplings tot zoetigheden en broodjes versgegrilld vlees. Het hart van deze wijk wordt gevormd door de Grote Moskee, een wondermooie en ietwat verscholen bouwwerk wat buiten de kalligrafieën uit de Koran zomaar door kan gaan voor een boeddhistische tempel.

Maar nu verplaatsen we ons veertig kilometer oostwaarts, naar het stadje Lintong. In 1974 stuitten een paar boeren daar tijdens het graven van een put op iets merkwaardigs: oude potscherven. In een land met een zo oude beschaving als China kom je die altijd en overal tegen in de grond, maar deze exemplaren vormden gezichten en lichaamsdelen. De rest van het verhaal is natuurlijk bekend, en nu zijn de rijen terracotta soldaten een haast nog bekender beeldmerk van China dan de beroemde Muur.

Keizer Qinshi Huangdi kennen we nog als bouwer van de Chinese Muur, maar hij had een dilemma. Het was in die tijd gebruikelijk om je als keizer na je dood te laten beschermen door je leger. Je wist immers maar nooit wat voor onheil je tegen kon komen op je reis door het hiernamaals! In de regel werden daar echte soldaten voor gebruikt en die werden niet zelden levend begraven rond de tombe van hun overleden heerser, compleet met wapens en paarden enzo. Maar Qinshi had een lichtelijk gebrek aan soldaten door al zijn oorlogen om het Chinese rijk tot één geheel te smeden, dus bedacht hij het plan om een natuurgetrouw leger door zijn pottenbakkersgilde te laten vervaardigen.

Dat bleek een haast onhaalbare taak, want Qinshi legde de lat erg hoog. De soldaten en ook de paarden moesten natuurgetrouw zijn, en als je nu de tentoongestelde beelden in hal nummer twee bekijkt, dan zijn de pottenbakkers daar wel in geslaagd. Tsjonge, wat zijn die prachtig! En let dan wel even op het feit dat deze stukken ruim voor de tijd zijn vervaardigd dat ene Jezus van Nazareth weigerde natte voeten te krijgen in het meer van Galilea. Er was wel een minpuntje: het produceren van één beeld duurde wel een maand of twee, laat staan een heel leger van duizenden stukken. En dan nog de bronzen wapenuitrustingen en alles wat daarbij hoort. De pottenbakkers begonnen toen de keizer 14 jaar oud was, en toen hij zesendertig jaar later de laatste adem uitblies was alles eigenlijk nog lang niet af.

Het meest bizarre is nog wel, dat er niets is opgetekend over dit terracotta leger – en dat terwijl de Chinezen vrijwel alles in hun geschiedenis hebben opgeschreven. Als die boeren niet de put op die plek hadden willen graven en de autoriteiten er niet bij hadden betrokken, waren Qinshi's aardewerken legerscharen voorgoed in de vergetelheid geraakt. En dan was dat hele commerciële circus eromheen ook nooit verrezen – van aardewerkfabrieken tot de complete shoppingmall voor de ingang van de daadwerkelijke site.

En dan hadden wij waarschijnlijk ook nooit de omweg naar Xi'an gemaakt, de duizend nachtelijke treinkilometers vanaf Beijing en de opvolgende reis oostwaarts naar Luoyang die in het volgende verslag ter sprake zal komen. En ook niet dat magnifieke bed van twee bij twee meter in het Forest Hotel in downtown Xi'an waar ondergetekende zijn achterstallige treindrankmisbruik-slaapachterstand heeft ingehaald...

Tekst en foto's: Sil Castelein.

Soort: 
vluchtverslag

Reageren op artikelen? Er gelden spelregels. De redactie behoudt het recht om reacties die niet aan de regels voldoen te verwijderen.